Nieuwe wet- en regelgeving 2019

Regelgeving op het gebied van werk en inkomen is voortdurend in beweging. Er komen nieuwe wetten en regels bij, en bestaande wet- en regelgeving verandert. We toetsen beleidsvoornemens in een zo vroeg mogelijk stadium op uitvoerbaarheid en geven aan waar we knelpunten voorzien. We maken afspraken met onze opdrachtgever, het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), over het tempo en de wijze waarop we het nieuwe beleid voorbereiden en uitvoeren. Hierover zijn we doorlopend met elkaar in gesprek. Het regeerakkoord van oktober 2017 betekende dat we veel nieuwe wet- en regelgeving moeten voorbereiden en in onze processen en dienstverlening inpassen. Dat vraagt veel lenigheid van onze organisatie. Hieronder geven we een overzicht van wat er in de eerste 4 maanden van 2019 in werking is gezet en gerealiseerd.

Wet vereenvoudiging beslagvrije voet

Op 1 januari 2021 treedt de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet in werking. De beslagvrije voet is het inkomensdeel waarop onder andere deurwaarders en overheidsorganen geen beslag mogen leggen. Hiermee wordt voorkomen dat mensen onder het voor hen geldend bestaansminimum terechtkomen. Onder de huidige regelgeving heeft UWV bij het berekenen van de beslagvrije voet veel gegevens nodig die de beslagene zelf moet aanleveren. Wanneer de beslagene de gegevens niet verstrekt, moet UWV een aantal aannames doen over het inkomen. Dat kan tot gevolg hebben dat het beslag hoger dan nodig uitvalt en het resterende inkomen lager, waardoor de beslagene verder in de problemen raakt. Met de vereenvoudiging wordt onder andere geregeld dat de berekening van de beslagvrije voet minder afhankelijk is van de gegevens die betrokkene aanlevert. Er wordt dan meer gebruikgemaakt van gegevens over de leefsituatie, het belastbaar inkomen en de ontvangen toeslagen die aanwezig zijn in overheidsbronnen zoals de Basisregistratie personen (BRP), de polisadministratie en bij de Belastingdienst. Deze methode zal door alle overheidsinstanties eenduidig worden toegepast.

De wet raakt UWV op 3 manieren. Ten eerste als beheerder van de polisadministratie, omdat de polisadministratie dient als een van de bronnen voor de vaststelling van de beslagvrije voet. Daarnaast als derde‑beslagene, omdat deurwaarders, gemeenten en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) beslag kunnen leggen op door UWV betaalde uitkeringen. Tot slot als beslaglegger: UWV vordert uitkeringen die ten onrechte betaald zijn terug en vordert boetes in.

Begin 2019 heeft UWV een nieuwe uitvoeringstoets gedaan op de nu bekende invulling van de wet- en regelgeving. Met de voorbereidingen voor de implementatie is begonnen. UWV onderneemt verschillende activiteiten om de wet te kunnen uitvoeren. We richten gegevenslevering uit de polisadministratie in, breiden de gegevenslevering aan potentiële beslagleggers uit en ontwikkelen een rekenmodule die op basis van gegevens uit de genoemde gegevensbronnen de beslagvrije voet berekent. Binnen UWV worden wijzingen doorgevoerd om de rekenmodule te kunnen gebruiken, de beslagene te informeren over de berekende beslagvrije voet en de beslagvrije voet te corrigeren op aangeven van de beslagene of andere beslagleggers. Wanneer UWV zelf vereenvoudigd beslag blijft leggen dan moet er een nieuw proces worden ingericht voor de uitvoering van de rol van coördinerend deurwaarder. UWV kan in deze rol terechtkomen indien UWV de eerste beslaglegger is en er meer beslagen volgen door andere partijen. Deze rol houdt in dat UWV andere beslagleggers moet informeren, de beslagvrije voet op verzoek aanpast en ontvangen gelden op basis van voorkeur verdeelt.

Aanpassing Dagloonbesluit

Op 1 juli 2015 is met de Wet werk en zekerheid ook een nieuw Dagloonbesluit in werking getreden. Al snel bleek dit Dagloonbesluit voor bepaalde groepen WW‑uitkeringsgerechtigden een negatief effect te hebben. De minister heeft toen besloten dat het Dagloonbesluit gerepareerd moest worden en dat degenen die schade hadden ondervonden, gecompenseerd moesten worden. De groep gedupeerden is zo omvangrijk, dat dit gefaseerd gebeurt. De laatste groep betreft klanten die ziek zijn geweest in de referteperiode, maar niet de wachttijd van 104 weken hebben volgemaakt. Sinds 1 december 2017 bepalen we het dagloon voor deze groep op basis van de nieuwe regels. Uitkeringsgerechtigden uit deze doelgroep die in de periode tussen 1 juli 2015 en 1 december 2017 een lagere uitkering hebben ontvangen, hebben mogelijk recht op een tegemoetkoming. Zij konden zich tot 1 januari 2019 melden voor een tegemoetkoming. Van 1 januari 2018 tot 1 juli 2018 kon dat via uwv.nl, na die datum kon het alleen nog schriftelijk. Alle meldingen die we vóór 1 juli ontvingen, hebben we vóór 1 oktober 2018 beoordeeld en uitbetaald. Na 1 juli 2018 is nog slecht een handvol meldingen binnengekomen, die zijn direct beoordeeld en uitbetaald. In totaal hebben we 600 meldingen ontvangen. De lage WW‑uitkeringen kunnen voor deze groep leiden tot een te laag WIA‑dagloon, andersom kan de ontvangen eenmalige tegemoetkoming juist leiden tot een te hoog WIA‑dagloon. Om deze onbedoelde gevolgen te repareren, wordt de tijdelijke regeling met terugwerkende kracht gewijzigd. De tegemoetkoming wordt alleen meegeteld bij de berekening van het WIA‑dagloon indien de WW‑uitkering waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, ligt binnen de referteperiode van het WIA‑dagloon.

Compensatieregeling ZEZ

Tussen mei 2005 en juni 2008 hadden vrouwelijke zelfstandigen geen recht op een zwangerschaps- en bevallingsuitkering. Medio 2017 stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat deze vrouwen alsnog recht op geld hebben. Hiervoor is de compensatieregeling Zelfstandige en Zwanger (ZEZ) in het leven geroepen. Elke vrouw die in de betreffende periode is bevallen en kan aantonen dat zij werkzaam was als zelfstandige, heeft per bevalling recht op € 5.600 compensatie. UWV en het ministerie van SZW zochten samen de publiciteit om zo veel mogelijk vrouwen te bereiken. Zij konden van 25 mei tot en met 30 september 2018 via onze website uwv.nl een aanvraag indienen. Ons kantoor in Heerlen, dat ook alle reguliere ZEZ‑aanvragen behandelt, heeft uitzendkrachten aangetrokken om de compensatieregeling te kunnen uitvoeren. In totaal hebben we 18.703 aanvragen ontvangen voor de compensatieregeling. 17.511 aanvragen (bijna 94%) zijn toegewezen en betaald, 1.192 aanvragen zijn afgewezen (ruim 6%). In totaal is € 98,1 miljoen uitbetaald.

Verzamelwet SZW 2019

De Verzamelwet SZW 2019 is voor de onderwerpen die voor UWV relevant zijn getoetst op uitvoerbaarheid. Het betreft kleine beleidswijzigingen en wetstechnische wijzigingen. We hebben vastgesteld dat alle wijzigingen in het wetsvoorstel uitvoerbaar zijn. Het voorstel om Wajongers die met levenlanglerenkrediet studeren vanaf 1 januari 2019 alsnog recht op een Wajong‑uitkering te geven, is via een aparte uitvoeringstoets uitgewerkt en getoetst. De Verzamelwet is per 1 januari 2019 geïmplementeerd.

Wet tegemoetkomingen loondomein

De Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) voorziet in 3 nieuwe instrumenten om mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt in dienst te nemen of te houden. Het betreft bijvoorbeeld ouderen, jongeren, werknemers met een laag loon en mensen met een arbeidsbeperking, inclusief de mensen die behoren tot de doelgroep voor de banenafspraak. Het gaat om het lage‑inkomensvoordeel (LIV, een tegemoetkoming in de loonkosten), het loonkostenvoordeel (LKV) en het jeugd‑LIV. Het programma Wtl heeft tot doel om te borgen dat alle wijzigingen volledig, tijdig en zorgvuldig worden geïmplementeerd binnen UWV en de Belastingdienst. Het LIV is ingegaan op 1 januari 2017; het jeugd‑LIV en het LKV op 1 januari 2018. De betalingen vinden na afloop van het kalenderjaar plaats. Voor het lage‑inkomensvoordeel is dit voor uiterlijk medio september 2018 gebeurd, voor de overige 2 regelingen gebeurt dit uiterlijk medio september 2019.

In maart 2019 hebben we met behulp van de Wtl‑rekenmachine voor alle onderdelen van de Wtl voorlopige berekeningen gemaakt. Deze zijn succesvol verstuurd naar de Belastingdienst die de voorlopige berekeningen en bijbehorende bijlagen heeft geprint en tijdig, voor 16 maart, aan 145.132 werkgevers heeft verstuurd. 1.000 grote werkgevers hebben het bericht digitaal kunnen ophalen, in verband met de grootte van de papieren bijlage. De verstuurde berekeningen hebben betrekking op 897.617 werknemers die recht op een van de tegemoetkomingen hebben. De voorlopige berekening gaat uit van een totaalbedrag van circa € 793 miljoen: € 508 miljoen voor het LIV, € 124 miljoen voor het jeugd‑LIV en € 160 miljoen voor het LKV.

Naar aanleiding van de voorlopige berekeningen hebben de werkgevers veelvuldig contact gezocht met UWV. Ze hadden vooral vragen over de doelgroepverklaring en het overgangsrecht bij het LKV. Vanwege de complexiteit van de materie is een relatief hoog percentage doorgezet naar de tweedelijnsafhandeling. De afhandeltijd van deze terugbelverzoeken liep daarbij op. Mede door de inzet van tijdelijke krachten en overuren van vaste medewerkers konden de vragen van werkgevers snel weer binnen 24 uur worden afgehandeld. Hierdoor hadden werkgevers voldoende tijd om, indien relevant, hun loonaangiften vóór 1 mei aan te passen.

Werknemers die loonkostenvoordeel willen ontvangen, moeten hiervoor een doelgroepverklaring aanvragen. In de eerste 4 maanden van 2019 heeft UWV circa 14.000 aanvragen ontvangen. Hiervan is het grootste gedeelte ingediend door een gemachtigde; dit is in de meeste gevallen de werkgever. Van gemeenten ontvingen we in de eerste 4 maanden van 2019 615 kopieën van een doelgroepverklaring. Dit aantal blijft ondanks herhaaldelijke initiatieven achter bij de schatting van 2.000 tot 5.000 op jaarbasis. Om meer aanvragen voor een doelgroepverklaring te kunnen toekennen, is per 1 januari 2019 in de Wtl geregeld dat bij aanvragen voor een loonkostenvoordeel wordt bekeken of de desbetreffende persoon in de maand voorafgaand aan de dienstbetrekking voldoet aan de voorwaarden voor een doelgroepverklaring. We willen de behandeling van de aanvragen zo veel mogelijk automatiseren. De verwachting is dat dit niet voor eind 2019 geregeld zal zijn.

Naar aanleiding van de voorlopige berekeningen hebben de werkgevers veelvuldig contact gezocht met UWV. Ze hadden vooral vragen over de doelgroepverklaring en het overgangsrecht bij het LKV. Vanwege de complexiteit van de materie is een relatief hoog percentage doorgezet naar de tweedelijnsafhandeling. De afhandeltijd van deze terugbelverzoeken liep daarbij op. Mede door de inzet van tijdelijke krachten en overuren van vaste medewerkers konden de vragen van werkgevers snel weer binnen 24 uur worden afgehandeld. Hierdoor hadden werkgevers voldoende tijd om, indien relevant, hun loonaangiften vóór 1 mei aan te passen.

Wet invoering extra geboorteverlof

De Wet invoering extra geboorteverlof (WIEG) regelt een aantal zaken rondom verlof bij geboorte. Per 1 januari 2019 is het kraamverlof omgedoopt tot geboorteverlof en verlengd van 2 naar 5 dagen. Dit komt ten laste van de werkgevers en heeft geen gevolgen voor UWV. Ook is per 1 januari 2019 het adoptie- en pleegzorgverlof verruimd van 4 naar 6 weken. Per 1 juli 2020 wordt een aanvullend geboorteverlof voor partners van maximaal 5 weken van kracht, met een uitkering ter hoogte van 70% van het (gemaximeerde) dagloon. Voor de implementatie van de WIEG is een wijziging van het uitkeringssysteem noodzakelijk. We gaan in 2019 verder met de implementatie zodat we het aanvullend geboorteverlof vanaf 1 juli 2020 kunnen uitvoeren.

Nieuwe uitkering voor betaald ouderschapsverlof

In verband met een EU‑richtlijn over de werk‑privébalans van werknemers gaat UWV per juli 2022 een nieuwe uitkering uitvoeren voor het betaald ouderschapsverlof. Momenteel kennen we in Nederland een onbetaald ouderschapsverlof van 26 weken waarvan gebruik kan worden gemaakt tot het achtste levensjaar van het kind. UWV heeft daar geen rol in. Het wetsvoorstel wordt geschreven in de zomer van 2019 en in oktober 2019 volgt een uitvoeringstoets. Voor de exacte invulling van de nieuwe uitkering moet op een aantal punten nog beleid worden gemaakt en afgestemd. UWV is hierbij betrokken om tot een uitvoerbaar wetsvoorstel te komen.

Overbrugging transitievergoeding kleine werkgevers

Kleine werkgevers (met minder dan 25 werknemers in dienst) ervaren de invoering van de transitievergoeding bij ontslag per 1 juli 2015 als onderdeel van de Wwz als een financiële last. Om hun de mogelijkheid te geven om een financiële buffer op te bouwen voor mogelijk in de toekomst te betalen transitievergoedingen, is een tijdelijke overbruggingsregeling getroffen die loopt tot 1 januari 2020. In lijn met het regeerakkoord zijn de voorwaarden om hiervoor in aanmerking te komen versoepeld door aanpassing van de Ontslagregeling. De nieuwe voorwaarden gelden voor procedures tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst die beginnen op of na 1 januari 2019. De oude voorwaarden blijven van kracht voor procedures die zijn gestart op uiterlijk 31 december 2018. We verwachten door de verruiming van de voorwaarden enkele honderden extra aanvragen voor deze overbruggingsregeling. In de eerste 4 maanden van 2019 zien we echter nog geen toename van het aantal aanvragen voor deze overbruggingsregeling.

Wet arbeidsmarkt in balans

Het kabinet wil het met de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) voor werkgevers aantrekkelijker maken om mensen vast in dienst te nemen en een betere balans aanbrengen tussen flexibele arbeidscontracten en vaste dienstverbanden. De wet regelt onder andere dat voor werknemers die met een payrollovereenkomst werkzaam zijn, de primaire en secondaire arbeidsvoorwaarden gelden van het bedrijf waar zij werken. Een werknemer bouwt vanaf de eerste dag van de dienstbetrekking recht op transitievergoeding op. De opbouw van de transitievergoeding voor langere dienstbetrekking wordt lager. Deze wijzigingen in de opbouw van de transitievergoeding werken door in de Regeling compensatie transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid van de werknemer die UWV per 1 april 2020 gaat uitvoeren. Deze regeling kent terugwerkende kracht voor transitievergoedingen die sinds de invoering van de Wwz per 1 juli 2015 betaald zijn aan langdurige zieke werknemers. Vanwege deze terugwerkende kracht moet UWV bij het berekenen van de hoogte van de te compenseren transitievergoeding rekening houden met verschillende wettelijke regimes. Ook regelt de Wab dat de maximumtermijn van de zogenoemde ketenbepaling wordt verlengd tot 3 jaar. In die periode mogen 3 contracten voor bepaalde tijd worden aangegaan. UWV heeft in 2018 via een uitvoeringstoets de consequenties voor de uitvoering van de wet in kaart gebracht. De wet treedt op 1 januari 2020 in werking. UWV is in de eerste maanden van 2019 gestart met de voorbereidingen voor de implementatie. In de Wab wordt ook een compensatieregeling transitievergoeding bij bedrijfsbeëindiging geïntroduceerd. UWV heeft op dit onderdeel een afzonderlijke uitvoeringstoets uitgebracht. Omdat UWV beide compensatieregelingen van de transitievergoeding niet gelijktijdig kan implementeren, wordt deze compensatieregeling ingevoerd per 1 januari 2021.

In het wetsvoorstel Wet arbeidsmarkt in balans zijn ook wijzigingen opgenomen op het gebied van premiedifferentiatie WW. De bedoeling is om via premiedifferentiatie in de WW het voor werkgevers aantrekkelijker te maken om meer vaste contracten aan te bieden. Flexibele arbeid wordt duurder door een hogere WW‑premie bij tijdelijke contracten. In plaats van de huidige sectorale differentiatie wordt in het regeerakkoord gekozen voor een vorm waarbij aan contracten voor onbepaalde duur een lager premiepercentage wordt toegerekend dan aan contracten voor bepaalde tijd. Per 1 oktober 2018 is de implementatie gestart om klaar te zijn voor uitvoering van deze wijzigingen per 1 januari 2020. De noodzakelijke wijziging van de gegevensset voor de loonaangifte loopt mee met de jaarovergang 2019/20. Daarnaast is begin 2019 veel tijd gestoken in het bespreken van nog openstaande beleids- en uitvoeringspunten met het ministerie van SZW en de Belastingdienst. De meeste van deze punten zijn inmiddels beslecht. Begin 2019 is ook een start gemaakt met het UWV‑interne project.

Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

In het regeerakkoord is afgesproken de (tijdelijke) Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW) met ingang van 1 januari 2020 opnieuw te verlengen met 4 jaar. In het conceptwetsvoorstel voor de wijziging van de IOW werd aanvankelijk voorgesteld om, naast de verlenging van de regeling, de rechthebbende leeftijd gelijk te laten oplopen met de AOW‑pensioenleeftijd en per 1 januari 2020 te verhogen van 60 jaar naar 60 jaar en 4 maanden. Per 1 januari 2021 zou de rechthebbende leeftijd nogmaals met 4 maanden worden verhoogd naar 60 jaar en 8 maanden. 24 januari 2019 heeft UWV de minister per brief meegedeeld dat deze wijzigingen met ingang van 1 januari 2020 uitvoerbaar zijn.

Naar aanleiding van de behandeling van het wetsvoorstel Wet arbeidsmarkt in balans heeft de minister de Tweede Kamer toegezegd de koppeling van de rechthebbende leeftijd IOW aan de AOW‑pensioenleeftijd te schrappen en de leeftijdsgrens per 1 januari 2020 vast te stellen op 60 jaar en 4 maanden. Op 18 april 2019 heeft UWV de minister per brief meegedeeld dat het gewijzigd wetsvoorstel met ingang van 1 januari 2020 uitvoerbaar is.

Afschaffen arbeidskorting Ziektewet

Per 1 januari 2020 wordt het recht op arbeidskorting afgeschaft voor mensen die na die datum geen werkgever meer hebben en een Ziektewet‑uitkering gaan ontvangen. Bij de overgang van WW‑uitkering naar Ziektewet‑uitkering of andersom doet zich dan geen substantiële stijging van de netto‑uitkering meer voor. Daarmee wordt de eerdere inconsistentie in regelgeving weggenomen. Het recht op arbeidskorting blijft behouden voor degenen die tijdens de Ziektewet‑uitkering wel een werkgever hebben of ziekengeld ontvangen op basis van een vrijwillige verzekering voor de Ziektewet. Deze wijziging werd in de eerste 4 maanden van 2019 geïmplementeerd.

Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten

Werkgevers die in het kader van de banenafspraak mensen met een arbeidsbeperking een arbeidsplek bieden, maken daarvoor aanvankelijk vaak gebruik van een inleenconstructie. Het dienstverband wordt dan echter in de polisadministratie op naam van het uitzendbureau of detacheringsbureau geregistreerd. UWV heeft in 2018 hard gewerkt aan een oplossing die ervoor zorgt dat de verloonde uren meetellen voor het quotum van de werkgever waar de werknemer daadwerkelijk werkt. We hebben daarvoor in 2018 een inleenadministratie gebouwd. Op 7 september 2018 heeft het ministerie van SZW de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over een breed offensief om de arbeidsparticipatie van arbeidsbeperkten te stimuleren. In het verlengde van deze brief en naar aanleiding van een in de Tweede Kamer aangenomen motie heeft het ministerie UWV verzocht de werkzaamheden voor de inleenadministratie op te schorten. UWV heeft deze opschorting eind 2018 en begin 2019 gerealiseerd. Begin 2019 heeft UWV met het ministerie overlegd over de opzet van een vereenvoudigde quotumregeling.

Wet wijzigingen Wajong

Met de Wet wijzigingen Wajong wil het kabinet de instrumenten om Wajongers met arbeidsmogelijkheden te activeren versterken, belemmeringen om te (gaan) participeren wegnemen en de oude Wajong en Wajong 2010 vereenvoudigen en meer harmoniseren. De wet regelt onder andere de harmonisatie van de regels voor het beëindigen van de Wajong‑uitkering en het uitbreiden van de herlevingstermijn, het aanpassen van het passend werkaanbod en het schrappen van de studieregeling Wajong 2010. UWV heeft begin 2019 via een uitvoeringstoets de consequenties voor de uitvoering van de wet in kaart gebracht. De wet treedt naar verwachting gedeeltelijk op 1 januari 2020 en gedeeltelijk op 1 januari 2021 in werking. UWV is in de eerste maanden van 2019 gestart met de voorbereidingen voor de implementatie.

Loondoorbetaling bij WIA

UWV is met het ministerie van SZW in gesprek over het wetsvoorstel maatregelen loondoorbetaling bij ziekte en WIA. Naar verwachting wordt UWV gevraagd een uitvoeringstoets uit te voeren en deze medio augustus 2019 op te leveren. We zijn op dit moment bezig met een pre‑uitvoeringstoets.

Uitwerking generieke maatregelen vanuit het ministerie van BZK

In het regeerakkoord is een aantal generieke maatregelen geformuleerd voor de vernieuwing van openbaar bestuur en ICT‑dienstverlening. Deze maatregelen vallen onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Onderdeel daarvan is de Wet open overheid. In de uitvoeringstoets die we de eerste maanden van 2019 hebben uitgevoerd, concluderen we dat deze wet uitvoerbaar is, mits die op een aantal elementaire punten wordt gewijzigd. Daarnaast vergt de wet een aanzienlijke investering.

Projecten van meer dan € 5 miljoen worden door UWV aangemeld voor toetsing door het Bureau ICT‑toetsing (BIT). In het eerste tertaal is de BIT‑toets op de implementatie van de inleenadministratie en quotumheffing aan de Tweede Kamer verzonden.

UWV werkt, zoals ook in het regeerakkoord wordt geambieerd, aan digitale en veilige overheidscommunicatie. Dit vindt onder andere zijn weerslag in een vooronderzoek en impactanalyse naar de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer, die naar verwachting in 2021 in werking treedt. UWV zet, vooruitlopend op de Wet digitale overheid, in op het verhogen van de beveiligingsniveaus van portalen. Daarvan zijn de overstap naar eHerkenning voor werkgevers en DigiD beveiligingsniveau midden voor burgers een essentiële stap. Voor de modernisering van de Basisregistratie personen (BRP) participeert UWV in het traject van het ministerie van BZK waarin breed wordt nagedacht over een toekomstige registratie van persoonsgegevens. Daarnaast levert UWV een bijdrage aan de visie op de regie over gegevens van hetzelfde ministerie.