Toelichting op de balans
Materiële vaste activa (1)
Het verloop van de materiële vaste activa kan als volgt worden weergegeven:
Tabel Materiële vaste activa
|
Bedragen x € 1 miljoen |
Investeringen in gehuurde panden |
Inventaris |
Hardware en software |
Totaal |
|
Stand per 1 januari 2025 |
||||
|
Aanschafwaarde |
135 |
41 |
62 |
238 |
|
Cumulatieve afschrijvingen |
-57 |
-20 |
-32 |
-109 |
|
Boekwaarde per 1 januari 2025 |
78 |
21 |
30 |
129 |
|
Mutaties |
||||
|
Investeringen |
25 |
5 |
10 |
40 |
|
Desinvesteringen |
- |
- |
- |
- |
|
Afschrijvingen |
-13 |
-4 |
-16 |
-33 |
|
Saldo mutaties |
12 |
1 |
-6 |
7 |
|
Stand per 31 december 2025 |
||||
|
Aanschafwaarde |
135 |
39 |
72 |
246 |
|
Cumulatieve afschrijvingen |
-45 |
-17 |
-48 |
-110 |
|
Boekwaarde per 31 december 2025 |
90 |
22 |
24 |
136 |
In 2025 is voor een bedrag van € 31 miljoen aan volledig afgeschreven materiële vaste activa buiten gebruik gesteld (2024: € 36 miljoen). Om die reden zijn de aanschafwaarde en de cumulatieve afschrijvingen ultimo 2025 met dit bedrag gecorrigeerd. In de materiële vaste activa zijn ultimo 2025 investeringen ten bedrage van € 30 miljoen inbegrepen die per balansdatum nog niet in gebruik zijn genomen. Dit betreft projectmatige investeringen in gehuurde panden. Ultimo 2024 ging het om een totaalbedrag van € 27 miljoen.
De afschrijvingen worden gebaseerd op de geschatte economische levensduur en worden berekend op basis van een vast percentage van de verkrijgingsprijs. Er wordt afgeschreven vanaf het moment van ingebruikneming.
We hanteren de volgende afschrijvingstermijnen:
-
Investeringen in gehuurde panden: maximaal 10 jaar, of zo dit korter is,
de verwachte huurtermijn -
Inventaris: 5‑10 jaar
-
Hardware en software: 3‑5 jaar
Wij berekenen rente over de financiering van de materiële vaste activa, voor zover deze zijn gefinancierd met middelen uit de fondsen. Deze rente bedraagt over 2025 € 0,3 miljoen bate (2024: € 1,8 miljoen last). Wij hanteren daarbij de rentetarieven die worden toegepast op de rekeningen‑courant die wij aanhouden bij de minister van Financiën. In 2025 bedroeg de rente gemiddeld 2,2% (2024: 3,6%). In 2025 is sprake van een rentebate omdat er meer financiering beschikbaar is dan er gefinancierd is in materiële vaste activa.
Financiële vaste activa (2)
Zowel op de premievorderingen als op de NOW‑vorderingen zijn betalingsregelingen met een duur van meer dan één jaar van toepassing. Het verloop van de financiële vaste activa kan als volgt worden weergegeven:
Tabel Financiële vaste activa
|
Bedragen x € 1 miljoen |
NOW-vorderingen |
Premievorderingen |
Totaal |
|
Stand per 1 januari 2025 |
|||
|
Nominale waarde |
1.109 |
675 |
1.784 |
|
Cumulatieve waardeverminderingen |
-186 |
-81 |
-267 |
|
Boekwaarde per 1 januari 2025 |
923 |
594 |
1.517 |
|
Mutaties |
|||
|
Verstrekte betalingsregelingen |
25 |
32 |
57 |
|
Beëindigde betalingsregelingen |
-182 |
-75 |
-257 |
|
Ontvangen termijnen |
-294 |
-246 |
-540 |
|
Waardeverminderingen en -veranderingen |
93 |
34 |
127 |
|
Saldo mutaties |
-358 |
-255 |
-613 |
|
Stand per 31 december 2025 |
|||
|
Nominale waarde |
658 |
386 |
1.044 |
|
Cumulatieve waardeverminderingen |
-93 |
-47 |
-140 |
|
Boekwaarde per 31 december 2025 |
565 |
339 |
904 |
NOW‑vorderingen met betalingsregeling
Op NOW‑vorderingen kunnen, conform wet‑ en regelgeving, op aanvraag van de werkgever betalingsregelingen (BTR) worden getroffen voor langer dan een jaar, met een maximum van vijf jaar. Op het saldo van de vastgestelde NOW‑vorderingen per 31 december 2025 is voor € 658 miljoen (2024: € 1.109 miljoen) aan dergelijke regelingen getroffen, waarvan circa € 316 miljoen (nominale waarde) een looptijd heeft van korter dan een jaar. Indien een werkgever zich niet aan de betalingsregeling houdt, wordt de betalingsregeling beëindigd en worden de vorderingen opgenomen onder de NOW‑vorderingen zonder betalingsregeling.
De BTR‑vorderingen hebben, op basis van wet‑ en regelgeving, een bijzonder karakter, in die zin dat de betalingsregeling direct na een verzoek van een werkgever wordt toegekend zonder dat een onderzoek naar de financiële draagkracht heeft plaatsgevonden of dat er zekerheden zijn gesteld. Ook wordt geen rente in rekening gebracht over de vordering. Een betalingsregeling loopt maximaal vijf jaar. Bij de eerste waardering van deze vorderingen wordt de reële waarde van de vordering bij verstrekking van de betalingsregeling bepaald op basis van de verwachte toekomstige kasstromen, waarbij gerekend wordt met een rentefactor enerzijds en een risicofactor anderzijds. Wij hebben ervoor gekozen de rentefactor te baseren op de rapportages van Bloomberg over de zerocouponrente en de risicofactor te ontlenen aan de opgave van De Nederlandsche Bank inzake deposito’s en leningen van monetaire financiële instellingen aan niet‑financiële bedrijven. Daarnaast is er, gezien het bovengenoemde bijzondere karakter van deze vorderingen, een extra opslag op de risicofactor opgenomen voor additionele risico’s. Die bedraagt op jaarbasis 2,65%. Dit percentage is afgeleid van de opgave van de European Banking Authority over de kans op wanbetaling voor leningen verstrekt aan het midden‑ en kleinbedrijf voor meer dan € 1 miljoen.
Na de eerste waardering van de vorderingen tegen de reële waarde wordt de afwaardering door amortisatie gedurende de looptijd van de regeling in principe geleidelijk teruggebracht tot nihil. Als gevolg van de afwaardering en de daaropvolgende amortisatie bedraagt de waardevermindering per balansdatum per saldo € 93 miljoen.
Premievorderingen met betalingsregeling
Ondernemers met betalingsproblemen vanwege de coronacrisis konden tot en met 31 maart 2022 bijzonder uitstel van betaling aanvragen voor verschillende belastingen. Volgens de regeling hebben ondernemers van 1 oktober 2022 tot 1 oktober 2027 de tijd om hun belastingschuld af te betalen. De afbetaling vindt plaats in maandelijkse vaste termijnen, inclusief invorderingsrente. De premies voor de werknemersverzekeringen maken deel uit van deze crisismaatregel. Ultimo 2025 was er uitstel van betaling verleend voor € 386 miljoen (ultimo 2024 € 675 miljoen) aan premievorderingen. Op deze vorderingen is een waardevermindering toegepast van € 47 miljoen (12%).
Voor de premievorderingen is het niet mogelijk gebleken om de waardevermindering in lijn met onze waarderingsgrondslagen te bepalen, omdat we niet kunnen beschikken over de gegevens van de individuele premievorderingen. Voor de schattingsmethodiek van de kans op wanbetaling steunen wij, na een controle op plausibiliteit en toepasbaarheid, op een raming van de Belastingdienst. Deze raming is gebaseerd op het feitelijke betaalpatroon met een risicokwantificering voor drie verschillende risicogroepen, te weten termijnbetalers (5% kans op wanbetaling), achterstandbetalers (30% kans op wanbetaling) en nulbetalers (60% kans op wanbetaling).
Vorderingen (3)
Tabel Vorderingen
|
Bedragen x € 1 miljoen |
31 december 2025 |
31 december 2024 |
||
|
Programmakosten |
||||
|
Premievorderingen |
4.574 |
4.257 |
||
|
NOW-vorderingen |
13 |
43 |
||
|
Nog af te rekenen rijksbijdragen |
- |
83 |
||
|
Latente vordering rijksbijdragen |
647 |
- |
||
|
Uitkeringsdebiteuren |
321 |
282 |
||
|
Faillissementsvorderingen |
241 |
222 |
||
|
Te vorderen rente op tegoeden in rekening-courant bij de minister van Financiën |
1.028 |
1.290 |
||
|
Overige vorderingen en overlopende activa |
8 |
31 |
||
|
6.832 |
6.208 |
|||
|
Uitvoeringskosten |
||||
|
Debiteuren |
3 |
3 |
||
|
Vooruitbetaalde kosten |
48 |
35 |
||
|
Overige vorderingen en overlopende activa |
8 |
8 |
||
|
59 |
46 |
|||
|
Totaal |
6.891 |
6.254 |
||
Premievorderingen zonder betalingsregeling
Het saldo premievorderingen ultimo 2025 van € 4.574 miljoen bestaat voor € 4.046 miljoen uit vorderingen die in januari 2026 zijn geïncasseerd, uit overige premievorderingen van circa € 523 miljoen en daarnaast staan er nog vorderingen open van € 5 miljoen op vrijwillig verzekerden die voornamelijk betrekking hebben op premiemaand december 2025.
Op deze overige vorderingen is een voorziening voor oninbaarheid getroffen van 5%, analoog aan de risicogroep termijnbetalers die wordt gehanteerd bij de premievorderingen met betalingsregeling. Op de reguliere vorderingen van 2024 en ouder wordt een voorziening getroffen van 60%, analoog aan de groep nulbetalers die wordt gehanteerd bij de premievorderingen met betalingsregeling.
Met betrekking tot oudere premiejaren (2022 en ouder) staan er nog vorderingen open van circa € 188 miljoen vanuit het corona‑uitstel waarbij de betalingsregeling is ingetrokken als gevolg van het niet voldoen aan de periodieke aflossingsverplichtingen. Hierop is een voorziening getroffen van € 170 miljoen (90%, conform de risicokwantificering van de Belastingdienst).
NOW‑vorderingen zonder betalingsregeling
De hier opgenomen NOW‑vorderingen bestaan uit de te vorderen subsidiebedragen met betrekking tot vaststellingen waarvoor geen betalingsregeling is overeengekomen. De NOW‑vorderingen met betalingsregeling zijn opgenomen onder de post Financiële vaste activa. De NOW‑vorderingen die betrekking hebben op werkgevers die een NOW‑subsidie hebben ontvangen en waarvoor een faillissement is uitgesproken, zijn opgenomen onder de post Faillissementsvorderingen.
De NOW‑vorderingen zonder betalingsregeling kunnen als volgt worden gespecificeerd:
Tabel NOW‑vorderingen zonder betalingsregeling
|
Bedragen x € 1 miljoen |
31 december 2025 |
31 december 2024 |
|
Vorderingen uit hoofde van vaststellingen |
307 |
331 |
|
Raming nog vast te stellen vorderingen |
2 |
35 |
|
Nominale waarde |
309 |
366 |
|
Voorziening |
296 |
323 |
|
Boekwaarde |
13 |
43 |
Op de NOW‑vorderingen is een voorziening voor oninbaarheid getroffen op basis van de ouderdom van het openstaande saldo, voor zover mogelijk gebaseerd op historische gegevens:
-
Bij de vorderingen zonder uitstel van betaling waarvan het saldo minder dan negentig dagen openstaat (€ 1 miljoen nominaal per ultimo 2025) is de verwachting dat die volledig worden voldaan.
-
Voor de vorderingen waarbij uitstel is verleend tot een latere betaaldatum dan de reguliere termijn (€ 11 miljoen nominaal per ultimo 2025) is de voorziening bepaald op 10%.
-
Op vorderingen waarbij sprake is van bedrijfsbeëindiging (circa € 45 miljoen nominaal per ultimo 2025) is rekening gehouden met 98% oninbaarheid, conform de voorziening bij NOW‑faillissementsvorderingen.
-
Op alle overige vorderingen (€ 250 miljoen nominaal per ultimo 2025) wordt eveneens een voorziening voor oninbaarheid getroffen. Het gehanteerde percentage voor oninbaarheid bedraagt 50% voor vorderingen die tussen 90 en 180 dagen openstaan en 100% voor vorderingen die langer dan 180 dagen openstaan.
De raming van nog vast te stellen vorderingen heeft betrekking op de werkvoorraad van 204 vaststellingsaanvragen per ultimo 2025. Het deel van de geraamde vorderingen waarvan wij verwachten dat die zullen worden vastgesteld zonder betalingsregeling (dit is circa € 2 miljoen) nemen wij op onder de NOW‑vorderingen zonder betalingsregeling. Het overige deel van de geraamde vorderingen verantwoorden wij onder de financiële vaste activa. Op de geraamde vorderingen die naar verwachting in 2026 zullen worden vastgesteld zonder betalingsregeling, is ook een percentage voorziening toegepast. Dat percentage is gebaseerd op de voorzieningen die zijn getroffen voor de al vastgestelde vorderingen zonder betalingsregeling. Voor een verdere toelichting op deze post verwijzen we naar paragraaf Toelichting op de staat van baten en lasten, onder het kopje NOW‑subsidies (15).
Latente vordering rijksbijdragen
Onder de latente vordering rijksbijdragen worden de lasten van de Tijdelijke regeling eenmalige vergoeding correctie dagloon WIA verantwoord. Deze lasten worden niet meegenomen in de nog af te rekenen rijksbijdragen over 2025 aangezien de bevoorschotting conform afspraken met het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) zal plaatsvinden vanaf 2026 en de afrekening plaatsvindt via de afrekentabel in de jaarrekening 2026.
Uitkeringsdebiteuren
De uitkeringsdebiteuren hebben betrekking op terug te vorderen uitkeringen, bijbehorende sociale lasten en boetes. In het saldo uitkeringsdebiteuren zijn ook het verhaal van WW‑ en WGA‑uitkeringen op respectievelijk overheidswerkgevers en werkgevers eigenrisicodrager WGA opgenomen, net als het verhaal van uitkeringen betaald voor andere EU‑landen (EU‑verordening nr. 883/2004).
Voor uitkeringsdebiteuren die niet direct aan hun betalingsverplichtingen kunnen voldoen, kunnen betalingsregelingen worden getroffen. Daardoor kan de feitelijke looptijd van individuele vorderingen langer dan een jaar zijn. Op grond van ervaringscijfers van de afgelopen vijf jaar is onze inschatting dat een bedrag van € 136 miljoen (nominale waarde) als langlopend kan worden beschouwd. UWV brengt uitkeringsdebiteuren geen rente in rekening op uitstaande vorderingen.
Faillissementsvorderingen
Bij onmacht van de werkgever om de verplichtingen voortvloeiende uit dienstbetrekkingen te betalen, neemt UWV ingevolge hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet de betaling over. Deze overgenomen verplichtingen dient UWV als preferente vordering in bij de curator. In de faillissementsvorderingen zijn ook NOW‑vorderingen opgenomen die betrekking hebben op werkgevers die een NOW‑subsidie hebben ontvangen en voor wie een faillissement is uitgesproken.
Tabel Faillissementsvorderingen
|
Bedragen x € 1 miljoen |
31 december 2025 |
31 december 2024 |
|
Faillissementsvorderingen uit hoofde van loondoorbetaling |
895 |
836 |
|
NOW-vorderingen bij faillissementen |
223 |
230 |
|
Nominale waarde |
1.118 |
1.066 |
|
Voorziening |
877 |
844 |
|
Boekwaarde |
241 |
222 |
Uit de realisatiecijfers over de periode 2012–2023 blijkt dat bij het opheffen van een faillissement door de curator gemiddeld 36,0% (in 2024 ook 36,0%) van de ingestelde vorderingen uit hoofde van loondoorbetaling is geïncasseerd. Dit percentage is toegepast voor de waardering van de faillissementsvorderingen uit hoofde van loondoorbetaling. NOW‑vorderingen bij faillissementen zijn concurrente vorderingen en daarbij wordt op basis van ervaringscijfers voor het treffen van een voorziening voor oninbaarheid een percentage van 98% (in 2024 ook 98%) gehanteerd.
Voor de faillissementsvorderingen geldt dat inning afhankelijk is van de afhandeling van het faillissementsdossier door de curator. Hoewel deze post als kortlopend wordt gerubriceerd, lopen deze vorderingen vaak meerdere jaren voordat finale afwikkeling plaatsvindt. Op grond van ervaringscijfers is onze inschatting dat een bedrag van € 143 miljoen (tegen boekwaarde) als langlopend kan worden beschouwd.
Voorzieningen oninbare vorderingen
Op de vorderingen zijn voorzieningen voor het risico van oninbaarheid in mindering gebracht. Deze voorzieningen zijn bepaald door de verwachte toekomstige ontvangsten, voor zover mogelijk gebaseerd op historische gegevens, te vergelijken met het saldo per 31 december. Het verloop van de voorzieningen kan als volgt worden weergegeven:
Tabel Voorziening oninbare vorderingen
|
Bedragen x € 1 miljoen |
Voorziening oninbare premie-vorderingen |
Voorziening oninbare NOW-vorderingen |
Voorziening oninbare uitkerings-debiteuren |
Voorziening oninbare faillissements-vorderingen |
Totaal |
|
Stand per 1 januari 2025 |
434 |
323 |
289 |
844 |
1.890 |
|
Dotatie |
97 |
42 |
1 |
203 |
343 |
|
Vrijval |
- |
-2 |
- |
- |
-2 |
|
Onttrekking |
- |
-67 |
-73 |
-170 |
-310 |
|
Stand per 31 december 2025 |
531 |
296 |
217 |
877 |
1.921 |
Liquide middelen (4)
Tabel Liquide middelen
|
Bedragen x € 1 miljoen |
31 december 2025 |
31 december 2024 |
|
Tegoeden in rekening-courant bij de minister van Financiën |
52.437 |
40.681 |
|
Banktegoeden |
- |
0 |
|
Totaal |
52.437 |
40.681 |
Op grond van artikel 119 lid 4 van de Wfsv houden wij voor elk van de door ons beheerde fondsen een rekening‑courant aan bij de minister van Financiën. Onder de liquide middelen zijn daarnaast banktegoeden in rekening‑courant opgenomen. De mutaties in de liquide middelen zijn nader gespecificeerd in paragraaf Kasstroomoverzicht over 2025.
Fondsvermogen (5)
Het saldo van de programmabaten en ‑lasten en de uitvoeringskosten wordt jaarlijks toegevoegd of onttrokken aan het vermogen van de desbetreffende fondsen. De verwerking van het saldo van baten en lasten 2025 (per saldo € 11.047 miljoen bate) is als volgt:
|
Toevoeging fondsvermogen |
€ 10.995 miljoen |
|
|
Toevoeging egalisatiereserve |
€ 52 miljoen |
|
|
Totaal |
€ 11.047 miljoen |
Tabel Fondsvermogen 2025
|
Bedragen x € 1 miljoen |
1 januari 2025 |
Saldo baten en lasten |
Vorming bestem-mingsfondsen en egalisatiereserve |
31 december 2025 |
|
Aof |
33.721 |
6.037 |
- |
39.758 |
|
Whk |
523 |
-271 |
- |
252 |
|
AWf |
6.601 |
4.723 |
- |
11.324 |
|
Ufo |
3.636 |
558 |
- |
4.194 |
|
Afj |
-141 |
- |
- |
-141 |
|
Toeslagenfonds |
-22 |
- |
- |
-22 |
|
Totaal fondsen |
44.318 |
11.047 |
- |
55.365 |
|
Bestemd fondsvermogen |
-87 |
- |
0 |
-87 |
|
Egalisatiereserve |
-60 |
- |
-52 |
-112 |
|
Netto-fondsvermogen |
44.171 |
11.047 |
-52 |
55.166 |
Ter vergelijking is het verloop van het fondsvermogen gedurende 2024 opgenomen:
Tabel Fondsvermogen 2024
|
Bedragen x € 1 miljoen |
1 januari 2024 |
Saldo baten en lasten |
Vorming bestem-mingsfondsen en egalisatiereserve |
31 december 2024 |
|
Aof |
28.175 |
5.546 |
- |
33.721 |
|
Whk |
1.078 |
-555 |
- |
523 |
|
AWf |
2.014 |
4.587 |
- |
6.601 |
|
Ufo |
3.078 |
558 |
- |
3.636 |
|
Afj |
-141 |
- |
- |
-141 |
|
Toeslagenfonds |
-22 |
- |
- |
-22 |
|
Totaal fondsen |
34.182 |
10.136 |
- |
44.318 |
|
Bestemd fondsvermogen |
-87 |
0 |
- |
-87 |
|
Egalisatiereserve |
-109 |
49 |
- |
-60 |
|
Netto-fondsvermogen |
33.986 |
10.185 |
- |
44.171 |
Het fondsvermogen bestaat uit het cumulatieve saldo van de jaarlijks gerealiseerde baten en lasten. Op het fondsvermogen zijn de bestemmingsfondsen en de egalisatiereserve in mindering gebracht. Het fondsvermogen neemt toe omdat de premiebaten van werkgevers en de rijksbijdragen van de Rijksoverheid jaarlijks het UWV‑lastenniveau overstijgen. UWV heeft nauwelijks invloed op de vermogensontwikkeling van het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof), het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) en het Uitvoeringsfonds voor de Overheid (Ufo). De minister van SZW stelt namelijk voor deze fondsen de premies vast, waarbij naast de omvang van de te financieren lasten ook inkomenspolitiek en de ontwikkeling van het saldo van de Europese Economische en Monetaire Unie (EMU‑saldo) in overweging worden genomen. UWV stelt wel de gedifferentieerde premie voor de Werkhervattingskas (Whk) vast. UWV heeft geen zeggenschap over de bestemming van de fondsvermogens.
Het Afj en het Toeslagenfonds kennen in principe geen vermogen en worden volledig gefinancierd uit rijksbijdragen. In 2021 hebben wij echter besloten om de uit 2011 stammende vordering op het ministerie van SZW van € 163 miljoen met betrekking tot niet‑afgerekend transactieresultaat op nihil te waarderen, aangezien het ministerie deze vordering niet eerder betaalt dan bij beëindiging van de desbetreffende wet of opheffing van het desbetreffende fonds. Deze negatieve vermogens hebben daarom een min of meer permanent karakter. Als gevolg hiervan is het vermogen van het Afj en het Toeslagenfonds respectievelijk € 141 miljoen en € 22 miljoen negatief. De vordering van € 163 miljoen op het ministerie van SZW wordt vermeld onder de Niet in de balans opgenomen activa en verplichtingen.
Bestemmingsfondsen (6)
De bestemmingsfondsen zijn met instemming van de minister van SZW gevormd ten laste van het fondsvermogen. Het bestemmingsfonds Frictiekosten is bedoeld ter dekking van reorganisatie‑ en investeringskosten. Het ministerie van SZW heeft voor 2025 geen bedragen vrijgegeven uit de bestemmingsfondsen.
Tabel Bestemmingsfondsen 2025
|
Bedragen x € 1 miljoen |
1 januari 2025 |
Saldo baten en lasten |
Vorming bestem-mingsfondsen |
31 december 2025 |
|
Frictiekosten |
78 |
- |
- |
78 |
|
Re-integratietrajecten en voorzieningen |
9 |
- |
0 |
9 |
|
Totaal |
87 |
- |
0 |
87 |
Ter vergelijking is het verloop van de bestemmingsfondsen gedurende 2024 opgenomen:
Tabel Bestemmingsfondsen 2024
|
Bedragen x € 1 miljoen |
1 januari 2024 |
Saldo baten en lasten |
Vorming bestem-mingsfondsen |
31 december 2024 |
|
Frictiekosten |
78 |
- |
- |
78 |
|
Re-integratietrajecten en voorzieningen |
9 |
0 |
- |
9 |
|
Totaal |
87 |
0 |
- |
87 |
Egalisatiereserve (7)
UWV vormt een egalisatiereserve op grond van artikel 33 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en artikel 5.10a, lid 2 van de Regeling SUWI. De egalisatiereserve heeft slechts betrekking op de uitvoeringskosten. De egalisatiereserve bedraagt ten hoogste 5% van het gemiddeld over de voorgaande drie jaar toegekende budget voor de uitvoeringskosten en bedraagt niet minder dan nul. Het maximum van de egalisatiereserve ultimo 2025 is € 121,9 miljoen.
Tabel Egalisatiereserve 2025
|
Bedragen x € 1 miljoen |
1 januari 2025 |
Saldo baten en lasten |
Vorming egalisatiereserve |
31 december 2025 |
|
W&R-projecten |
2 |
-1 |
1 |
2 |
|
Reguliere activiteiten |
0 |
0 |
9 |
9 |
|
Vrij besteedbaar |
58 |
1 |
42 |
101 |
|
Totaal |
60 |
- |
52 |
112 |
Het budgetresultaat 2025 is € 52 miljoen positief. Dit budgetresultaat is toegevoegd aan de egalisatiereserve. Ter vergelijking is het verloop van de egalisatiereserve gedurende 2024 opgenomen:
Tabel Egalisatiereserve 2024
|
Bedragen x € 1 miljoen |
1 januari 2024 |
Saldo baten en lasten |
Vorming egalisatiereserve |
31 december 2024 |
|
W&R-projecten |
2 |
-2 |
2 |
2 |
|
Reguliere activiteiten |
1 |
0 |
-1 |
0 |
|
Vrij besteedbaar |
106 |
-47 |
-1 |
58 |
|
Totaal |
109 |
-49 |
- |
60 |
Voorzieningen programmakosten (8)
Tabel Voorzieningen programmakosten
|
Bedragen x € 1 miljoen |
Eenmalige vergoeding correctie dagloon WIA |
Wazo/Wbo en Wazo/WIEG |
Compensatie transitie-vergoeding |
Verbeter-aanpak WIA 2020–2024 |
Loonloze tijdvakken |
Algemene voorziening herstelacties |
Totaal |
|
Stand per 1 januari 2025 |
- |
470 |
196 |
53 |
223 |
9 |
951 |
|
Dotatie |
578 |
574 |
653 |
- |
- |
- |
1.805 |
|
Onttrekking |
- |
-464 |
-595 |
- |
- |
-2 |
-1.061 |
|
Vrijval |
- |
- |
- |
-53 |
-223 |
-7 |
-283 |
|
Stand per 31 december 2025 |
578 |
580 |
254 |
- |
- |
- |
1.412 |
|
Samenstelling |
|||||||
|
Korte termijn (< 1 jaar) |
73 |
573 |
254 |
- |
- |
- |
900 |
|
Middellange termijn (1-5 jaar) |
505 |
7 |
- |
- |
- |
- |
512 |
|
Lange termijn (> 5 jaar) |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
|
Stand per 31 december 2025 |
578 |
580 |
254 |
- |
- |
- |
1.412 |
Voorziening eenmalige vergoeding correctie dagloon WIA
In de loop van 2024 is duidelijk geworden dat in de periode 2020–2024 mogelijk tienduizenden cliënten een te hoge of een te lage WIA‑uitkering hebben ontvangen. 2025 heeft in het teken gestaan van de verbeteraanpak WIA. Het belangrijkste doel van de verbeteraanpak is dat we de WIA‑uitkeringen corrigeren die door fouten in de dagloonberekening onjuist zijn vastgesteld in de periode 2020–2024. Medio december 2025 is het concept van de Tijdelijke regeling eenmalige vergoeding correctie dagloon WIA (hierna: de regeling) aan UWV voorgelegd voor een uitvoeringstoets en heeft het ministerie van SZW de regeling gepubliceerd voor internetconsultatie.
De regeling bepaalt op welke wijze betrokkenen een eenmalige vergoeding ontvangen voor de volgende situaties waarbij het dagloon te laag was vastgesteld:
-
Situaties waarbij het dagloon in de periode van 1 juli 2015 tot en met 31 december 2024 is vastgesteld met inachtneming van loonloze tijdvakken in de referteperiode voor het WIA‑dagloon en waarbij het dagloonverlagende effect voortduurde nadat de Centrale Raad van Beroep hierover uitspraken heeft gedaan (29 november 2023 en 30 juli 2024).
-
Situaties waarin sprake is van dagloonfouten in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2024.
-
Situaties waarin sprake is van indexatiefouten in de periode van 1 juli 2006 tot en met 31 december 2022.
De nieuw vastgestelde WIA‑uitkeringen in 2025 zijn vooralsnog geen onderdeel van de regeling.
In 2024 hadden wij al voorzieningen getroffen voor de Verbeteraanpak WIA 2020–2024 en loonloze tijdvakken. De hiermee samenhangende lasten zijn in 2024 gepresenteerd onder de WIA‑uitkeringslasten. Op grond van de regeling zullen de vergoedingen niet als WIA‑uitkeringen worden verantwoord maar als overige lasten. Hierdoor zijn de in 2024 gevormde voorzieningen in 2025 geheel vrijgevallen. In de plaats daarvan is de voorziening eenmalige vergoeding correctie dagloon WIA gevormd, die gefinancierd zal worden door een rijksbijdrage onder de Kaderwet SZW‑subsidies.
Op basis van de conceptregeling hebben wij een zo goed mogelijke schatting gemaakt van het verwachte bedrag aan vergoedingen. In de regeling is uitgewerkt wie er voor de vergoeding in aanmerking komt, hoe de hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld en op welke wijze de vergoeding wordt verstrekt. Voor betrokkenen bij wie dagloonfouten zijn vastgesteld, wordt hun huidige WIA‑uitkering opnieuw berekend met inachtneming van het juiste dagloon. Vervolgens wordt de uitkering herzien met een beschikking tot herziening, waarbij de uitkering naar de toekomst toe wordt gewijzigd. Dit kunnen zowel aanpassingen naar een lagere toekomstige uitkering als aanpassingen naar een hogere toekomstige uitkering zijn. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat betrokkenen voortaan de WIA‑uitkering krijgen waar zij recht op hebben.
Als een betrokkene in het verleden een te hoog bedrag aan WIA‑uitkering heeft ontvangen, gaat UWV het te veel betaalde bedrag niet terugvorderen. UWV behoudt wel de mogelijkheid om op te treden in geval van misbruik. Aan de betrokkenen van wie het dagloon in het verleden te laag is vastgesteld, wordt conform de regeling een vergoeding toegekend die betrekking heeft op de periode tot het moment van herziening van de uitkering. Deze vergoeding wordt als volgt berekend: (Nieuw – Oud) x 0,65 + R. Deze betekenis hebben de elementen uit de formule:
-
Nieuw: het totaalbedrag aan bruto WIA‑uitkering dat aan de betrokkene in het verleden zou zijn toegekend als het WIA‑dagloon direct juist was vastgesteld.
-
Oud: het totaalbedrag aan bruto WIA‑uitkering dat aan de betrokkene in het verleden daadwerkelijk is toegekend.
-
0,65: vermenigvuldigingsfactor ter benadering van het bedrag aan WIA‑uitkering dat de betrokkene feitelijk te weinig heeft ontvangen, omdat de ingevolge deze regeling vast te stellen vergoeding niet onderworpen is aan heffing van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. De factor is vastgesteld op 1 – 0,35, waarbij 0,35 het gecombineerde belasting- en premietarief van de eerste schijf benadert.
-
R: (Nieuw – Oud) x 12,5%. Dit bedrag betreft een rentevergoeding.
De vergoeding beoogt het ontbrekende bedrag dat een betrokkene ontvangen zou hebben als het WIA‑dagloon in het verleden juist was vastgesteld zonder dagloonfouten, zo dicht mogelijk te benaderen. UWV draagt over de vergoeding een eindheffing af aan de Belastingdienst. Door deze wijze van vergoeden zijn er voor de betrokkene geen, dan wel zeer beperkte, keteneffecten. Onder keteneffecten wordt verstaan: effecten in andere (overheids)regelingen, zoals inkomensafhankelijke regelingen, te betalen belastingen of kwijtschelding daarvan, die direct voortvloeien uit een door UWV verstrekte betaling. Bij het bepalen van de voorziening hebben we rekening gehouden met een ingeschatte eindheffing van gemiddeld 53,6%. Dit is gebaseerd op de eindheffing die wordt toegepast bij ontvangers van tegemoetkomingen arbeidsongeschikten en betreft een gewogen gemiddeld percentage voor ontvangers in het binnenland en buitenland.
De voorziening van € 578 miljoen is als volgt opgebouwd:
Tabel Voorziening eenmalige vergoeding correctie dagloon WIA
|
Bedragen x € 1 miljoen |
Loonloze tijdvakken |
Dagloonfouten |
Indexatiefouten |
Totaal |
|
Vergoeding |
330 |
44 |
3 |
377 |
|
Eindheffing |
177 |
23 |
1 |
201 |
|
Stand per 31 december 2025 |
507 |
67 |
4 |
578 |
Betrokkenen kunnen naast een loonloos tijdvak te maken hebben met een dagloonfout en/of een indexatiefout. Het betreft dus in bepaalde mate overlappende doelgroepen die, als de uitkering nog loopt, na herziening in de toekomst een hogere WIA‑uitkering zullen ontvangen. Om betrokkenen zo min mogelijk te belasten met verschillende herzieningsbeschikkingen, worden de correcties die volgen uit deze herstelacties samengevoegd in één beschikking tot herziening en krijgen zij één vergoeding conform de regeling.
Hieronder gaan wij in op de drie herstelacties die onderdeel zijn van de voorziening eenmalige vergoeding correctie dagloon WIA.
Loonloze tijdvakken
Op 29 november 2023 en 30 juli 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraken gedaan over de WIA‑dagloonvaststelling in situaties waarin de werknemer in de WIA‑referteperiode in een kalendermaand geen inkomen heeft genoten. De CRvB heeft in die uitspraken geoordeeld dat, in tegenstelling tot hetgeen het Dagloonbesluit voorschrijft, het WIA‑dagloon moet worden vastgesteld zonder loonloze tijdvakken mee te nemen in de referteperiode. Deze uitspraken hebben ertoe geleid dat bij betrokkenen aan wie na de datum van de van toepassing zijnde uitspraak een WIA‑uitkering wordt toegekend, het WIA‑dagloon moet worden vastgesteld zonder inachtneming van loonloze tijdvakken in de referteperiode. Dit resulteert in een hoger WIA‑dagloon en daarmee een hogere WIA‑uitkering. De lopende uitkeringen waarbij het dagloonverlagende effect door het loonloos tijdvak voortduurt na de datum van de van toepassing zijnde uitspraak worden ambtshalve herzien, waarbij de uitkering naar de toekomst toe wordt gewijzigd. Daarnaast ontvangen betrokkenen een eenmalige vergoeding op basis van de regeling. Deze vergoeding wordt berekend voor de periode vanaf de datum van de voor de betrokkene relevante uitspraak tot en met de datum van herziening. Bij betrokkenen die een loonloos tijdvak hebben als gevolg van de toekenning van een WW‑uitkering in de WIA‑referteperiode, wordt de vergoeding berekend voor de periode van 29 november 2023 tot en met de datum van herziening. Bij betrokkenen die een loonloos tijdvak hebben door een andere oorzaak, wordt de vergoeding berekend voor de periode van 30 juli 2024 tot en met de datum van herziening. Bij betrokkenen die te maken hebben met meerdere loonloze tijdvakken om beide redenen, wordt de vergoeding berekend voor de periode vanaf 29 november 2023 tot en met de datum van herziening. Het is mogelijk dat WIA‑uitkeringen van betrokkenen binnen de doelgroep inmiddels zijn beëindigd. Indien de betrokkene een WIA‑uitkering ontving op de datum van de voor de betrokkene relevante uitspraak, dan ontvangt die ook een vergoeding op grond van deze regeling. De periode waarover de vergoeding wordt berekend, wordt in dat geval beperkt tot de datum waarop de uitkering is beëindigd.
Op basis van bestandsanalyses hebben we circa 76.000 dossiers (waaronder 26.000 dossiers die ook gecontroleerd worden op een mogelijke dagloonfout en die niet behoren tot de hierna genoemde 47.000) gevonden waarbij loonloze tijdvakken mogelijk van invloed zijn geweest op het berekende WIA‑dagloon. Deze dossiers zullen we controleren op de verwerking van loonloze tijdvakken. Onder toepassing van de regeling verwachten we een bedrag aan nabetalingen tussen de € 395 miljoen (€ 257 miljoen vergoedingen en € 138 miljoen eindheffing) en € 602 miljoen (€ 392 miljoen vergoedingen en € 210 miljoen eindheffing). De beste schatting van de voorziening hebben we berekend op € 507 miljoen. Voor de raming van het financieel effect hebben we gebruikgemaakt van de gegevens uit de WIA‑statistiek voor de betreffende dossiers.
De regeling heeft geen betrekking op situaties waarbij het dagloon in de periode na 31 december 2024 is vastgesteld. Ten tijde van het uitbrengen van deze jaarrekening is besluitvorming onderhanden die ertoe zou kunnen leiden dat de reikwijdte van de hersteloperatie voor de loonloze tijdvakken ook van toepassing kan worden op (een deel van) 2025. Het potentiële financiële effect hiervan hebben we berekend op een bedrag van maximaal circa € 30 miljoen (€ 20 miljoen vergoedingen en € 10 miljoen eindheffing).
Dagloonfouten
Op basis van uitgevoerde risicoanalyses onderzoeken we circa 47.000 dossiers van verstrekte WIA‑uitkeringen die zijn gestart in de periode 2020–2024. Dit is inclusief uitkeringen die inmiddels beëindigd zijn. Daarnaast zijn er 26.000 samenloopgevallen die zullen worden gecontroleerd op zowel mogelijke loonloze tijdvakken als mogelijke dagloonfouten. Voor de kwantificering van het verwachte bedrag aan nabetalingen hebben we gebruikgemaakt van intern beschikbare gegevens uit kwaliteitsonderzoek, rechtmatigheidsonderzoek en uit onderzoek naar de circa 3.000 dossiers van mensen die zich bij ons hebben gemeld. Op basis van de beschikbare ervaringscijfers verwachten we in circa 30‑40% van de gevallen een dagloonfout aan te treffen, waarbij in 50‑80% van de gevallen het dagloon te laag is vastgesteld. Er is sprake van schattingsonzekerheid doordat concrete beschikbare informatie zeer beperkt is. We hebben slechts gebruik kunnen maken van gemiddelde foutpercentages en bedragen per cliënt uit onderzoeken die beperkt representatief zijn voor de te controleren populatie. Deze gegevens hebben we vervolgens vertaald naar de totale populatie. We verwachten dat het bedrag aan nabetalingen als gevolg van dagloonfouten zal uitkomen tussen de € 43 miljoen (€ 28 miljoen vergoedingen en € 15 miljoen eindheffing) en € 120 miljoen (€ 78 miljoen vergoedingen en € 42 miljoen eindheffing). De beste schatting van de voorziening hebben we berekend op € 67 miljoen (€ 44 miljoen vergoedingen en € 23 miljoen eindheffing). Hierbij hebben we gerekend met een foutpercentage van 40% en een percentage van 65% waarbij het dagloon te laag is vastgesteld. Deze percentages sluiten het best aan bij de beschikbare ervaringscijfers.
Op basis van onze kwaliteitsonderzoeken is geconcludeerd dat de dagloonfouten in 2025 weer op het lagere niveau van vóór 2020 liggen. Een verlenging van de regeling is daarom voor dagloonfouten waarschijnlijk niet aan de orde.
Indexeringsfouten
De daglonen van de werknemersverzekeringen die UWV uitvoert, worden elk jaar in januari en juli geïndexeerd. Een WIA‑uitkering wordt ongeveer 15 weken vóór het eindigen van de wachttijd van 104 weken aangevraagd. Het kan zijn dat tussen het aanvraagmoment en de eerste uitkeringsdag het indexatiecijfer en de daarop gebaseerde rekenregels voor UWV‑uitkeringen nog niet bekend zijn. Hierdoor zijn indexaties in een aantal gevallen niet verwerkt in het WIA‑dagloon, waardoor een te lage uitkering is vastgesteld. Als de eerste indexering gemist wordt, werkt dit ook bij latere indexeringen door in de hoogte van de WIA‑uitkering. De indexeringsfouten per 1 januari 2023 en per 1 juli 2023 zijn inmiddels hersteld. We hebben systeemaanpassingen doorgevoerd om deze fout te voorkomen, waardoor er na 2023 voor zover bekend geen indexatiefouten meer zijn gemaakt. De indexatiefouten in de periode 1 juli 2006 t/m 31 december 2022 zijn onderdeel van de regeling, voor zover deze fouten in het verleden nog niet zijn gecorrigeerd.
Lopende uitkeringen die zijn toegekend in de periode 2006–2022 worden ambtshalve gecontroleerd, tenzij de uitkering is beëindigd op of na 1 januari 2020. Uitkeringen die meer dan vijf jaar geleden beëindigd zijn, kunnen in principe niet worden gecontroleerd. We hebben de dossiers van deze uitkeringen verwijderd wegens het einde van de geldende bewaartermijn. Als bij de controle blijkt dat er sprake is van een indexatiefout, dan wordt die gecorrigeerd. Betrokkenen die een te lage WIA‑uitkering hebben ontvangen krijgen hiervoor op grond van de regeling een vergoeding. Deze vergoeding wordt beperkt tot een periode van maximaal vijf jaar terug vanaf 1 januari 2025. De vergoeding wordt berekend tot en met de datum van de beschikking tot herziening van de uitkering.
Uit onderzoek is gebleken dat sinds de invoering van de WIA in 2006 in circa 5% van de gevallen de indexering niet (goed) is toegepast bij de vaststelling van nieuwe WIA‑uitkeringen. Op grond hiervan verwachten we een bedrag aan extra lasten van circa € 4 miljoen.
Voorziening Wazo/Wbo en Wazo/WIEG
Het betaald ouderschapsverlof (Wazo/Wbo) geldt voor beide ouders en is van toepassing op verzekerde werknemers en niet‑verzekerde werknemers met een arbeidsovereenkomst (directeuren‑grootaandeelhouder en werknemers die huishoudelijke arbeid verrichten). De duur van de uitkering is maximaal negen weken (naar evenredigheid van de arbeidsduur). De voorziening is getroffen voor de in 2026 nog te verwachten aanvragen voor ouderschapsverlof dat is genoten in 2024 en 2025 en voor de in 2027 nog te verwachten aanvragen voor ouderschapsverlof dat is genoten in 2025.
Daarnaast kunnen partners maximaal vijf weken (vijf keer het aantal werkuren per week) aanvullend geboorteverlof opnemen (Wazo/WIEG, Wet invoering extra geboorteverlof).
Tabel Voorziening Wazo/Wbo en Wazo/WIEG
|
Bedragen x € 1 miljoen |
Wazo/Wbo |
Wazo/WIEG |
Totaal |
|
Stand per 1 januari 2025 |
408 |
62 |
470 |
|
Dotatie |
497 |
77 |
574 |
|
Onttrekking |
-402 |
-62 |
-464 |
|
Vrijval |
- |
- |
- |
|
Stand per 31 december 2025 |
503 |
77 |
580 |
Voorziening compensatie transitievergoeding
Werkgevers kunnen via UWV compensatie krijgen voor de transitievergoeding die zij hebben betaald bij het ontslag van werknemers wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Ook kan een bedrijf tot 25 werknemers dat stopt doordat de werkgever met pensioen gaat of overlijdt, via UWV compensatie krijgen voor betaalde ontslagvergoedingen. Deze compensaties krachtens de Wet houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden (CRTV-BE) of langdurige arbeidsongeschiktheid (CRTV-LAO) worden uit het Aof gefinancierd.
Tabel Voorziening compensatie transitievergoeding
|
Bedragen x € 1 miljoen |
CRTV-LAO |
CRTV-BE |
Totaal |
|
Stand per 1 januari 2025 |
191 |
5 |
196 |
|
Dotatie |
643 |
10 |
653 |
|
Onttrekking |
-587 |
-8 |
-595 |
|
Vrijval |
0 |
- |
0 |
|
Stand per 31 december 2025 |
247 |
7 |
254 |
De stand per 31 december 2025 betreft enerzijds de al ontvangen maar nog niet afgewikkelde aanvragen en anderzijds de nog naar verwachting in 2026 te ontvangen aanvragen met betrekking tot compensatie voor in 2025 of eerder verstrekte transitievergoedingen. De termijn waarbinnen werkgevers aanvragen kunnen indienen, bedraagt bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid zes maanden nadat volledige betaling van de transitievergoeding heeft plaatsgevonden. Bij ontslag van werknemers wegens bedrijfseconomische redenen is de aanvraagtermijn twaalf maanden.
Voorzieningen uitvoeringskosten (9)
Tabel Voorzieningen uitvoeringskosten
|
Bedragen x € 1 miljoen |
Herstel-organisatie WIA |
Jubilea |
Vitaliteits-regeling |
Sociaal plan |
Loondoor-betaling bij ziekte |
Verlof-sparen |
Overig |
Totaal |
|
Stand per 1 januari 2025 |
58 |
47 |
- |
2 |
15 |
14 |
10 |
146 |
|
Dotatie |
18 |
4 |
51 |
0 |
13 |
4 |
9 |
99 |
|
Onttrekking |
-7 |
-5 |
- |
-1 |
-8 |
- |
-7 |
-28 |
|
Vrijval |
-8 |
- |
- |
0 |
- |
-1 |
-9 |
|
|
Stand per 31 december 2025 |
61 |
46 |
51 |
1 |
20 |
18 |
11 |
208 |
|
Samenstelling |
||||||||
|
Korte termijn (< 1 jaar) |
20 |
4 |
10 |
1 |
9 |
0 |
11 |
55 |
|
Middellange termijn (1-5 jaar) |
41 |
13 |
33 |
0 |
11 |
18 |
0 |
116 |
|
Lange termijn (> 5 jaar) |
- |
29 |
8 |
- |
- |
0 |
- |
37 |
|
Stand per 31 december 2025 |
61 |
46 |
51 |
1 |
20 |
18 |
11 |
208 |
Herstelorganisatie WIA
De Herstelorganisatie WIA is het organisatieonderdeel dat de Tijdelijke regeling eenmalige vergoeding correctie dagloon WIA zal gaan uitvoeren. Onze verwachting is dat de kosten voor de uitvoering van deze regeling circa € 61 miljoen zullen bedragen voor de komende circa twee tot drie jaar. Deze inschatting hebben we gemaakt op basis van de ingeschatte normtijden per cliënt en de daarbij gepaard gaande personele kosten. Voor een nadere toelichting op de voorziening eenmalige vergoeding correctie dagloon WIA verwijzen we naar de toelichting onder het kopje Voorzieningen programmakosten (8).
Jubilea
De voorziening is getroffen voor de kosten van jubileumuitkeringen bij het bereiken van een dienstverband van 25 jaar en 40 jaar, en bij pensionering. Bij de berekening van de voorziening wordt rekening gehouden met de opgebouwde jaren, de blijfkans en de verwachte toekomstige loonstijgingen. De blijfkans en de verwachte toekomstige loonstijgingen zijn gebaseerd op historische cijfers. De voorziening wordt opgenomen tegen de contante waarde van de verwachte uitkeringen gedurende het dienstverband, rekening houdend met de actuele marktrente per balansdatum van hoogwaardige ondernemingsobligaties. Hierbij is gerekend met een actuele marktrente van 3% (2024: ook 3%).
Vitaliteitsregeling
In 2025 is een voorziening getroffen voor de vitaliteitsregeling. Conform de cao kunnen medewerkers van 62 jaar en ouder met een dienstverband van minimaal vijf jaar gebruikmaken van de vitaliteitsregeling. Hiermee kunnen medewerkers 20 tot 30% korter gaan werken met gedeeltelijk behoud van salaris en volledige pensioenopbouw. Bij de berekening van de voorziening wordt rekening gehouden met de opgebouwde jaren, de deelnamekans, de blijfkans en de verwachte toekomstige loonstijgingen. De blijfkans en de verwachte toekomstige loonstijgingen zijn gebaseerd op historische cijfers. De voorziening wordt opgenomen tegen de contante waarde van de verwachte uitkeringen gedurende het dienstverband, rekening houdend met de actuele marktrente per balansdatum van hoogwaardige ondernemingsobligaties. Hierbij is gerekend met een actuele marktrente van 3%.
Sociaal plan
Deze voorziening is gevormd voor de afvloeiingskosten van niet‑actieve medewerkers in het kader van reorganisaties die het gevolg zijn van wijzigingen in wet‑ en regelgeving, afnemend werkaanbod en diverse doelmatigheids‑ en efficiencytrajecten.
Loondoorbetaling bij ziekte
De voorziening is gevormd voor de op balansdatum bestaande verplichtingen om in de toekomst beloningen door te betalen aan medewerkers die per balansdatum naar verwachting niet in staat zijn om werkzaamheden te verrichten door ziekte of arbeidsongeschiktheid. In deze voorziening zijn ook begrepen de transitievergoedingen te betalen aan deze medewerkers. De voorziening is opgenomen tegen de nominale waarde rekening houdend met het salarispeil per januari 2026.
Verlofsparen
De voorziening is gevormd in verband met de in de cao opgenomen mogelijkheid tot verlofsparen van maximaal vijftig weken, te vullen vanuit de bovenwettelijke vakantie‑uren uit het nieuwe jaar en het opgebouwde saldo; er is geen sprake meer van verjaring voor de uren die worden ondergebracht in de verlofspaarregeling. De afbouw van de voorziening is vanwege het ontbreken van meerjarige ervaringscijfers onvoorspelbaar. Daarom is de voorziening opgenomen tegen de nominale waarde, rekening houdend met het salarispeil per januari 2026.
Overige voorzieningen
De overige voorzieningen bestaan uit voorzieningen voor transitievergoedingen, huurafkoop/leegstand en claims, geschillen en rechtsgedingen. Deze voorzieningen zijn opgenomen tegen de nominale waarde en lichten we hieronder toe.
De voorziening transitievergoedingen is gevormd als uitvloeisel van de Wet werk en zekerheid (Wwz). Volgens de Wwz ontvangen werknemers bij onvrijwillig ontslag een financiële vergoeding: de transitievergoeding. De voorziening is getroffen voor medewerkers met een tijdelijk dienstverband. De voorziening bedraagt ultimo boekjaar € 2 miljoen.
De voorziening huurafkoop/leegstand is gevormd voor de kosten van huurovereenkomsten voor de periode waarin wij als gevolg van een reorganisatie niet langer gebruikmaken van de gehuurde locaties. De voorziening bedraagt ultimo boekjaar € 1 miljoen.
De voorziening voor claims, geschillen en rechtsgedingen is gevormd in verband met sancties die opgelegd kunnen worden. De voorziening bedraagt ultimo boekjaar € 8 miljoen.
Kortlopende schulden (10)
Tabel Kortlopende schulden
|
Bedragen x € 1 miljoen |
31 december 2025 |
31 december 2024 |
||
|
Programmakosten |
||||
|
Nog te betalen uitkeringen |
1.964 |
1.823 |
||
|
Nog af te dragen belastingen |
496 |
442 |
||
|
Nog af te dragen premies sociale verzekeringen |
629 |
611 |
||
|
Nog te betalen NOW-subsidies |
5 |
20 |
||
|
Nog af te rekenen rijksbijdragen |
1 |
- |
||
|
Bankschulden |
2 |
- |
||
|
Overige schulden en overlopende passiva |
14 |
21 |
||
|
3.111 |
2.917 |
|||
|
Uitvoeringskosten |
||||
|
Leveranciers |
51 |
58 |
||
|
Belastingen en premies sociale verzekeringen |
120 |
96 |
||
|
Pensioenen en VUT |
4 |
2 |
||
|
Overige schulden en overlopende passiva |
97 |
93 |
||
|
272 |
249 |
|||
|
Totaal |
3.383 |
3.166 |
||
Alle kortlopende schulden hebben een looptijd korter dan een jaar. De reële waarde van de schulden benadert de boekwaarde, gegeven het kortlopende karakter van de schulden.
Nog te betalen uitkeringen
De nog te betalen uitkeringen bestaan uit € 1.142 miljoen vakantiegeldverplichtingen en € 801 miljoen nog te betalen uitkeringen over 2025 die voor een belangrijk deel in 2026 zijn betaald en € 21 miljoen crediteuren inzake uitkeringen die betaald zijn door andere EU‑landen (EU‑verordening nr. 883/2004).
Nog af te dragen belastingen
De nog af te dragen belastingen bestaan voornamelijk uit de loonbelasting en de premies volksverzekeringen die zijn ingehouden op de uitkeringen over de maand december 2025 en nog aan de Belastingdienst zijn verschuldigd.
Nog af te dragen premies sociale verzekeringen
De nog af te dragen premies sociale verzekeringen bestaan voor € 301 miljoen uit de premies voor de werknemersverzekeringen, de werkgeversheffing Zorgverzekeringswet en de Wet kinderopvang van de uitkeringen over de maand december 2025 die nog aan de Belastingdienst zijn verschuldigd. Over de vakantiegeldverplichtingen en de nog te betalen uitkeringen verwachten wij in de loop van 2026 € 328 miljoen te moeten afdragen.
Nog te betalen NOW-subsidies
De post nog te betalen NOW-subsidies van € 5 miljoen bestaat uit € 3 miljoen aan al vastgestelde NOW‑subsidies en een raming van € 2 miljoen voor nog vast te stellen NOW‑subsidies. Voor een nadere toelichting op deze post verwijzen we naar paragraaf Toelichting op de staat van baten en lasten onder het kopje NOW‑subsidies (15).
Nog af te rekenen rijksbijdragen
De nog af te rekenen rijksbijdragen hebben betrekking op het ministerie van SZW voor een bedrag van € 0,03 miljoen (schuld), op het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) voor € 0,6 miljoen (schuld) met betrekking tot de Wet overige OCW‑subsidies (WOOS) en op het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) voor € 0,04 miljoen (schuld) met betrekking tot Leefdomein Wmo.
Overige schulden en overlopende passiva (programmakosten)
Hieronder zijn opgenomen de nog te betalen re‑integratielasten en rekeningen‑courant met derden. Verder gaat het om overige schulden waarvan de betaling en/of administratieve verwerking nog niet heeft plaatsgevonden.
Overige schulden en overlopende passiva (uitvoeringskosten)
Hieronder zijn onder meer opgenomen de nog te betalen vakantiedagen en vooruit ontvangen huurkortingen.
Niet in de balans opgenomen activa en verplichtingen
Nog af te rekenen rijksbijdragen
Met ingang van 2012 is de bekostiging van de rijksgefinancierde wetten en regelingen gewijzigd van kasbasis naar transactiebasis. Om budgettaire redenen heeft het ministerie van SZW ervoor gekozen de per 1 januari 2012 op transactiebasis nog verschuldigde bedragen niet aan UWV uit te betalen. Deze permanente vordering bedraagt € 163 miljoen aan niet‑afgerekende rijksbijdragen, bestaande uit respectievelijk € 141 miljoen voor de Wajong en € 22 miljoen voor de Toeslagenwet. In 2021 hebben wij besloten om deze vordering op het ministerie van SZW op nihil te waarderen, aangezien die niet eerder door het ministerie van SZW wordt voldaan dan dat het desbetreffende fonds, de wet of regeling is opgeheven c.q. beëindigd. Het genoemde bedrag is in 2025 niet gewijzigd.
Langlopende uitkeringsverplichtingen
UWV heeft langlopende verplichtingen voor met name de WAO‑, WIA‑ en Wajong‑uitkeringen. Deze verplichtingen worden volledig afgedekt door toekomstige financiering vanuit de premiebaten en rijksbijdragen. De volgende tabel geeft een overzicht van de hiermee gemoeide bedragen naar vervaltermijn.
Tabel Langlopende uitkeringsverplichtingen
|
Bedragen x € 1 miljoen |
< 1 jaar |
1-5 jaar |
> 5 jaar |
Totaal |
|
WAO |
3.500 |
10.630 |
11.920 |
26.050 |
|
WIA/WGA |
7.820 |
25.240 |
46.850 |
79.910 |
|
WIA/IVA |
7.270 |
23.880 |
42.250 |
73.400 |
|
Wajong |
4.860 |
18.360 |
88.900 |
112.120 |
|
WAZ |
70 |
180 |
130 |
380 |
|
WW |
2.320 |
370 |
- |
2.690 |
|
IOW |
80 |
60 |
- |
140 |
|
Ziektewet |
820 |
300 |
- |
1.120 |
|
Wazo |
420 |
- |
- |
420 |
|
Totaal |
27.160 |
79.020 |
190.050 |
296.230 |
Bij de berekening van de langlopende uitkeringsverplichtingen hebben we de volgende uitgangspunten en aannames gehanteerd:
-
Het aantal lopende uitkeringen op balansdatum is het uitgangspunt, rekening houdend met de verwachte jaarlijkse uitstroom. Nieuwe instroom vanaf 2026 is geen onderdeel van de verplichtingen per 31 december 2025.
-
De verwachte gemiddelde uitkeringsbedragen per jaar zijn volgens het prijspeil van 2026, inclusief een opslag voor sociale lasten en een aanvulling vanuit de Toeslagenwet en de tegemoetkomingen. Er is geen rekening gehouden met prijsstijgingen na 2026 en rentedisconteringen over de looptijd.
-
De sociale lasten zijn berekend aan de hand van de geldende sociale lastenpercentages van 2026. Er is geen rekening gehouden met wijzigingen in deze percentages voor de jaren na 2026. De aanvulling vanuit de Toeslagenwet en de tegemoetkomingen zijn berekend aan de hand van de gerealiseerde verhoudingspercentages (in 2025) tussen het bedrag vanuit de Toeslagenwet (tegemoetkoming) en de moederwet.
-
Voor de WAO, WIA, Wajong, WAZ en IOW speelt de looptijd tot de AOW gerechtigde leeftijd een grote rol in de berekening. De WAO, WIA, Wajong en WAZ hebben uitkeringsgerechtigden van veel verschillende leeftijden. In de berekeningen hebben we de afzonderlijke leeftijden gehanteerd.
-
De uitstroomkans per wet blijft gelijk gedurende de looptijd. Voor alle leeftijden wordt gerekend met een eigen uitstroomkans, tenzij de uitstroomaantallen te laag zijn (minder dan tien); dan wordt de uitstroomkans van de bovenliggende leeftijd gehanteerd.
-
In de toegepaste uitstroomkans (met uitzondering van WW, Ziektewet en Wazo) is gecorrigeerd voor de uitstroom van de nieuwe instroom in het jaar zelf.
-
In de uitstroomkans voor de WIA/WGA en WIA/IVA is rekening gehouden met de doorstroom van de WIA/WGA naar de WIA/IVA.
-
Iedereen bereikt de AOW‑gerechtigde leeftijd op de laatste dag van de betreffende maand in het betreffende jaar.
Deze aannames hebben tot gevolg dat de berekende verplichtingen geen exacte nauwkeurigheid hebben, daarom zijn alle bedragen in de tabel afgerond op € 10 miljoen.
Re‑integratietrajecten en voorzieningen
UWV sluit contracten af met re‑integratiebedrijven voor de re integratie van arbeidsgehandicapten. De facturering vindt deels plaats nadat de diensten zijn geleverd. De resterende verplichtingen van de lopende re‑integratietrajecten zijn niet in de balans opgenomen. Deze verplichtingen bedragen eind 2025 € 41,9 miljoen voor trajecten gestart in 2023, 2024 en 2025 (eind 2024: € 38,3 miljoen voor trajecten gestart in 2022, 2023 en 2024). Op basis van ervaringscijfers is onze inschatting dat hiervan € 4,1 miljoen als langlopend (één tot vijf jaar) kan worden beschouwd. Bij de vaststelling van de verplichtingen is rekening gehouden met de invloed van resultaatfinanciering.
UWV verstrekt re-integratievoorzieningen voor mensen met structureel functionele beperkingen. Afhankelijk van het type voorziening gaat het om eenmalige betalingen, periodieke betalingen en/of leasecontracten. Voor de uitgaven voor externe jobcoach- en voor vervoersvoorzieningen met een leasecontract wordt een verplichting geraamd, omdat voor deze voorzieningen niet vermijdbare uitgaven in de toekomst zullen worden verantwoord. Voor deze doelgroepen samen is de omvang van de met deze re‑integratievoorzieningen samenhangende verplichtingen eind 2025 € 35,6 miljoen (eind 2024: € 37,3 miljoen).
Bezwaar en beroep NOW
De stand van zaken is dat het aantal bezwaar en beroepszaken tegen berekende voorschotten dan wel berekende vaststellingen voor alle NOW‑regelingen zijn afgenomen. Per 31 december 2025 zijn er nog 34 lopende bezwaarzaken tegen berekende voorschotten. Deze bezwaarzaken hebben vooral betrekking op de NOW 1. Van de afgesloten bezwaarzaken is 49% gegrond verklaard, 27% ongegrond en 24% is ingetrokken of niet‑ontvankelijk verklaard. Tegen berekende vaststellingen lopen nog 187 bezwaarzaken. Deze bezwaarzaken hebben betrekking op alle NOW‑tranches. Van de afgesloten bezwaarzaken is 46% gegrond verklaard, 28% ongegrond en 26% is ingetrokken of niet‑ontvankelijk verklaard. Daarnaast lopen nog 14 beroepszaken tegen berekende voorschotten en 610 beroepszaken tegen berekende vaststellingen. Van de afgesloten beroepszaken tegen voorschotten is 4% gegrond verklaard, 48% ongegrond en 48% is ingetrokken of niet‑ontvankelijk verklaard. Van de afgesloten beroepszaken tegen vaststellingen is 11% gegrond verklaard, 45% ongegrond en 44% is ingetrokken of niet‑ontvankelijk verklaard. Per 31 december 2025 zijn er nog 79 lopende hogerberoepszaken tegen voorschotten dan wel vaststellingen voor alle NOW‑regelingen. Van de afgesloten hogerberoepszaken is 3% gegrond verklaard, 60% ongegrond en 37% is ingetrokken of niet‑ontvankelijk verklaard.
Bij de NOW loopt nog een rechtszaak waarbij een principiële uitspraak gedaan kan worden. Dit betreft zaken waarin de NOW‑vaststellingsaanvraag niet vergezeld gaat van een (goedkeurende) accountantsverklaring over het geleden omzetverlies. In die zaken is het de vraag of UWV kan volstaan met die constatering (en de subsidie lager of op nihil kan stellen) of dat UWV een zelfstandige onderzoekplicht heeft om zelf dan het omzetverlies vast te stellen. De uitspraken neigen tot het eerste, maar er is nog geen uitspraak in hoger beroep. Een principiële uitspraak door de CRvB werd in april 2025 verwacht. Deze hogerberoepszaak loopt nog steeds en is voor onbepaalde tijd uitgesteld.
We houden er rekening mee dat we ook in 2026 bezwaren tegen de vaststellingen van de verschillende NOW‑regelingen zullen ontvangen. De financiële omvang van die eventuele bezwaar‑ en beroepszaken kunnen we niet op voorhand bepalen.
Regres
De baten die verband houden met verhaal uit regreszaken worden verantwoord in het jaar waarin de ontvangsten worden gerealiseerd. Per 31 december 2025 was er een voorraad van 1.062 regresdossiers en waren er 3.223 dossiers in behandeling genomen. Uit de historische cijfers kan worden geconcludeerd dat er over de jaren heen gemiddeld € 26.000 ontvangen wordt op een afgehandeld dossier.
Afhandelingswijze van de nabetalingen van pensioenfondsen bij cliënten met een toeslag
Uit dataonderzoek is gebleken dat er circa 3.000 cliënten zijn die ten onrechte nog een Toeslagenwet‑uitkering (TW) ontvangen of een te hoge TW‑uitkering in combinatie met een arbeidsongeschiktheidspensioen. Daarvan hebben circa 500 cliënten in het verleden een nabetaling ontvangen die niet verrekend is. De herstelactie is in november 2024 gestart met de afhandeling van WAO‑gevallen. Per 1 juli 2025 is een start gemaakt met de WIA‑dossiers. Eind 2025 resteren hiervan nog 157 dossiers om te beoordelen. We verwachten dat het financiële effect hiervan circa € 2,5 miljoen zal zijn.
Herstelactie Inkomsten uit zelfstandige werkzaamheden
Cliënten van UWV kunnen werkzaamheden als zelfstandige verrichten naast hun uitkering. De werkzaamheden en inkomsten als zelfstandige kunnen van invloed zijn op het recht, de hoogte en de duur van de uitkering. Cliënten hebben de verplichting om werkzaamheden als zelfstandige en de inkomsten die zij daaruit ontvangen, te melden. Als een cliënt dit niet meldt, dan heeft UWV nu geen mogelijkheden om dit automatisch te signaleren. De gegevens van de Belastingdienst en/of Kamer van Koophandel zijn namelijk niet automatisch bekend bij UWV. Het gevolg hiervan kan zijn dat UWV (een deel van) de uitkering onverschuldigd betaalt. Het doel van deze herstelactie is om voor alle cliënten bij wie deze inkomsten niet zijn gekort op de uitkering, dit alsnog te doen. In deze herstelactie zijn – na een eerste beoordeling van het dossier – twee groepen te onderscheiden:
-
Cliënten die de inlichtingenplicht hebben overtreden door hun werkzaamheden als zelfstandige of de inkomsten hieruit niet te melden.
-
Cliënten die zelfstandige werkzaamheden tijdig gemeld hebben, maar waarbij UWV de inkomsten niet juist heeft verwerkt.
Omdat deze groepen cliënten een te hoge uitkering hebben en krijgen uitgekeerd, moet er een herstelactie ingericht worden. Al deze dossiers worden individueel beoordeeld volgens het huidige herstelbeleid.
UWV heeft bij de Belastingdienst de gegevens uitgevraagd die nodig zijn voor deze herstelactie. Op basis van deze gegevens wordt bekeken wat de gevolgen zijn voor de uitkering. Er wordt over een periode van maximaal vijf jaar teruggevorderd. Bij een overtreding van de inlichtingenplicht beoordeelt UWV ook of een sanctie wordt opgelegd.
Onbekend is bij hoeveel van de huidige cliënten de inkomsten uit zelfstandige werkzaamheden niet juist verrekend zijn met de uitkering. Daarvoor wachten we de gegevens van de Belastingdienst af. Er is daarom op dit moment nog geen goede inschatting te geven van de financiële effecten.
Overige niet‑verwerkte verplichtingen
Wij zijn betrokken bij verscheidene beroepszaken op het gebied van de sociale zekerheid waarvan de uitspraken gevolgen kunnen hebben voor zowel de programma‑ als de uitvoeringskosten. Daarnaast lopen er een aantal herstelacties op het gebied van de sociale zekerheid waarvan de financiële gevolgen voor de jaarrekening nog niet bekend dan wel niet goed te kwantificeren zijn.
Meerjarige financiële verplichtingen uitvoeringskosten
Wij hebben verplichtingen die voortvloeien uit langlopende overeenkomsten in verband met uitvoeringskosten. De volgende tabel geeft een overzicht van de hiermee gemoeide bedragen naar vervaltermijn.
Tabel Vervaltermijnen langlopende uitvoeringskosten
|
Bedragen x € 1 miljoen |
< 1 jaar |
1-5 jaar |
> 5 jaar |
Totaal |
|
Huurcontracten* |
61 |
189 |
70 |
320 |
|
Energiecontracten |
4 |
13 |
- |
17 |
|
Projecten huisvesting |
6 |
- |
- |
6 |
|
Automatiseringscontracten |
37 |
- |
- |
37 |
|
Totaal |
108 |
202 |
70 |
380 |